Impliciete en expliciete eigenwaarde bij mensen met psychogene niet-epileptische aanvallen.

Impliciete en expliciete eigenwaarde bij mensen met psychogene niet-epileptische aanvallen.

3 reacties

Auteur: Marieke Goossens.

Psychogene niet-epileptische aanvallen (PNEA, in de Engelse literatuur aangeduid met PNES, psychogenic non-epileptic seizures) lijken qua uitingsvorm op epileptische aanvallen. Bij epileptische aanvallen ligt de oorzaak in een plotselinge, tijdelijke verstoring van de elektrische prikkeloverdracht in de hersenen. Bij PNEA is de precieze oorzaak onbekend, maar wordt verondersteld dat er een dissociatieve reactie is op bedreigende situaties, ervaringen, emoties, gedachten of herinneringen. Dit kan verklaard worden vanuit een biopsychosociaal model, waarbij het psychologische profiel van patienten met PNEA anders is dan bij patienten met epilepsie. Zo is onder andere in eerder onderzoek aangetoond dat de prevalentie van trauma en post-traumatische stress stoornis hoger is bij patiënten met PNEA vergeleken met patiënten met epilepsie (Fiszman e.a. 2004).
In dit artikel wordt een onderzoek beschreven waarbij de rol van zelfwaardering bij PNEA wordt onderzocht. Een groot deel van de informatieverwerking, ook over het zelf, gaat onbewust en automatisch. Daarom wordt onderscheid gemaakt tussen impliciete en expliciete zelfwaardering. Impliciete zelfwaardering is een automatisch, impulsieve evaluatie van het zelf. Expliciete zelfwaardering is een bewust overwogen evaluatie. De hypothese van de onderzoekers is dat een lage zelfwaardering de kwetsbaarheid voor stress vergroot, wat mogelijk weer van invloed is op de PNEA. Daarnaast zou een discrepantie tussen de impliciete en expliciete zelfwaardering kunnen bijdragen aan verhoogde stress en maladaptief gedrag. De onderzoekers verwijzen hier naar de cognitieve dissonantie theorie, die ervan uitgaat dat conflicterende gedachten of gedragingen die een ongemakkelijk gevoel veroorzaken zo snel mogelijk opgeheven dienen te worden, ook als dit tot klachten leidt. Het doel van de onderzoekers is erachter te komen of er inderdaad een verschil is tussen impliciete en explicite zelfwaardering bij patiënten met PNEA vergeleken met epilepsie en een gezonde controlegroep. Daarnaast willen ze weten of de discrepantie tussen de impliciete en expliciete zelfwaardering een correlatie heeft met angst en de hoeveelheid aanvallen.

In deze patiënt-controle studie werden drie groepen met elkaar vergeleken (N=30 volwassenen met PNEA, N=25 met epilepsie en N=31 zonder aanvallen in de voorgeschiedenis). Er werden vragenlijsten afgenomen om de expliciete zelfwaardering, angst en lichamelijke klachten te meten. Om de impliciete zelfwaardering te kunnen meten is een computertest ontwikkeld, de Implicit Relational Assessment Procedure (IRAP) . Bij de IRAP werden reactietijden vergeleken tussen stimuli die de overtuigingen van de deelnemer wel of niet bevestigden.Daarbij waren er twee categorieën, stimuli over zichzelf, zowel positief als negatief, en twee categorieën over de ander. Uitspraken die de proefpersonen te zien kregen waren bijvoorbeeld: ‘ik ben: waardevol, slim, aantrekkelijk’ en ‘anderen zijn: incompetent, waardeloos, stom’. Het principe van IRAP is dat de gemiddelde reactietijd korter is op de stimuli die overeenkomen met de impulsieve (implicite) overtuigingen van de deelnemer, dan op stimuli die tegen de eigen overtuiging ingaan. Het gebruik van IRAP heeft als doel om een andere maat, naast zelfrapportage, te gebruiken om het construct zelfwaardering te meten. De validiteit van dit instrument is echter nog onvoldoende bewezen en behoeft verder onderzoek.
De groep met PNEA scoorde significant lager op expliciete zelfwaardering dan de andere twee groepen. Voor de impliciete zelfwaardering waren er geen statistisch significante verschillen gevonden. Wel kwam naar voren dat de discrepantie tussen de impliciete en expliciete zelfwaardering significant groter was voor de groep met PNEA. Daarnaast werd in alle drie de groepen een correlatie gevonden tussen angst en zelfwaardering. Hoe hoger de mate van zelfgerapporteerde angst, hoe lager de zelfgerapporteerde expliciete zelfwaardering. In de epilepsiegroep was er geen statistisch significante correlatie tussen het aantal aanvallen en zelfwaardering. In de groep met PNEA wel. Een lagere expliciete zelfwaardering, en een discrepantie tussen impliciete en expliciete zelfwaardering, correleerden beide met de frequentie van PNEA.

De onderzoekers vinden dat deze bevindingen implicaties kunnen hebben voor de behandeling van PNEA. Een lage zelfwaardering wordt hierbij als een risicofactor gezien voor PNEA. Behandeling zal zich moeten richten op het veranderen van een negatief zelfbeeld en het vergroten van de zelfwaardering. Dit kan middels cognitieve gedragstherapie of psychodynamische therapie, al eerder bewezen effectieve interventies voor PNEA (Mayor e.a., 2010, LaFrance e.a., 2009). Hoe het zelfbeeld binnen deze behandeling precies een rol zou moeten krijgen, dient verder onderzocht te worden, bij voorkeur aan de hand van een randomised controlled trial. Ook zou dan duidelijk kunnen worden of (lage en/of discrepante) zelfwaardering inderdaad, zoals auteurs denken, een risicofactor is voor PNEA. Omdat deze studie cross-sectioneel was, kan bijvoorbeeld niet uitgesloten worden dat dit verschil in zelfwaardering niet een oorzaak maar een gevolg is van deze aanvallen.

 

Dimaro, L.V., Roberts, N.A., Moghaddam, N.G., Dawson, D.L. Brown, I. & Reuber, M. Implicit and explicit self-esteem discrepancies in people with psychogenic nonepileptcit seizures. Epilepsy and Behavior 46 (2015) 109-117.


Meer van deze auteur:

Trefwoorden:

Gerelateerde artikelen

3 reacties

  1. J.  - 6 maart 2016 - 11:22 am

    De interpretatie van de resultaten van die onderzoek is sterk gebaseerd op de aanname van de onderzoekers dat de klachten van mensen met ‘lichamelijk onverklaarde epileptische aanvallen’ psychogeen van aard zijn.

    Een andere mogelijke interpretatie. De patiënten geven op vragenlijsten waarin expliciet naar zelfwaardering wordt gevraagd antwoorden die passen bij de opvattingen over de psychogene oorzaak van hun klachten. Ze geven bijv. sociaal wenselijke antwoorden, of ze hebben zich in de loop van hun psychologische behandeling laten aanpraten dat het inderdaad dat het inderdaad aan hun karakter ligt. Met de, waarschijnlijk objectievere, meetmethode naar de impliciete zelfwaardering komt dit dan niet naar voren.

    Onderzoekers zijn ‘hoger’ en artsen/psychologen hebben sowieso veel macht over de kwaliteit van leven van patiënten. Ten onrechte gediagnosticeerd worden met een psychiatrische aandoening levert nog altijd een leefbaarder leven op dan beschuldigd worden van faken ten behoeve van uitkering aandacht e.d. Zij het in de verste verte niet zo een goede kwaliteit van leven als weten wat je mankeert en daar behandeling voor krijgen waardoor de ziekteverschijnselen afnemen of verdwijnen.

    Dat is namelijk de verwachting waarmee, volgens mij, het overgrote deel van de mensen die klachten krijgen naar een dokter gaan, ze willen niet ziek zijn, ze willen beter worden. En de meeste mensen weten het heus wel of ze gestressed zijn, ik vind het altijd zo bizar dat dit soort 19e eeuwse verklaringen juist veel vaker bij klachten van vrouwen worden gegeven. Ja natuurlijk vrouwen zijn allemaal totaal niet in staat hun emoties te herkennen en daar over te praten, dat kun je in elk vrouwenblad lezen…

    De interpratie van het geven van sociaal wenselijk antwoorden/aangepraatte verwachtingen laat de mogelijkheid open dat ‘lichamelijk onverklaarde epileptische aanvallen’ onverklaard zijn en niet meer dan dat. Dit in afwachting van verdere wetenschappelijk onderzoek, elke ziekte die nu verklaard is was ooit onverklaard. As je even een willekeurige ziekte op google scholar intikt kun je zien dat zelfs de meningen over de oorzaken, behandelen, indicentie en betrouwbaarheid van diagnostische methodes van inmiddels wel lichamelijk verklaarde aandoening zeer sterk uiteen lopen.

    Vergelijkbaar onderzoek is in het verleden gedaan naar de vermeende persoonlijkheidsproblemen bij mensen met MS (die dan ook (mede) oorzaak zouden zijn. Onderzoekers waren vonden inderdaad dat mensen met MS een bepaalde persoonlijkheid hadden en veronderstelden op basis van deze correlatie een oorzakelijk verband. Later, toen de oorzaken van MS duidelijker werden, is dit onderzoek nog eens over gedaan. Het idee was dat de eerder gevonden resultaten misschien verband hielden met MS gerelateerde schade in bepaalde hersengebieden, de correlatie werd niet meer gevonden..

    Nogmaals er zullen best mensen zijn die normale lichamelijk stresssymptomen niet herkennen en toeschrijven aan een ziekte. Maar het enige harde criterium voor SOLK is dat de dokter niet kan vinden wat je mankeert. Dat artsen niet kunnen vinden wat je hebt kan vele mogelijke oorzaken hebben, waaronder diverse die niet zo heel goed zijn voor het gevoel van zelfwaardering van de arts… expliciet of impliciet…

    • Lineke  - 5 augustus 2016 - 7:20 am

      Het klopt dat er bij somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) geen afdoende somatische verklaring is voor deze klachten, dus geen ‘somatisch substraat’ waar de behandeling op gericht kan worden. Dit wil niet automatisch zeggen dat de klachten psychologisch / psychogeen van aard zijn.
      Het wil vooral zeggen dat we de oorzaak niet weten. Wat we wél weten, is dat een SOLK-behandeling een groot deel van deze grote, zeer gevarieerde patiëntengroep met deze klachten kan helpen.

  2. J.  - 20 april 2016 - 4:41 am

    Mogelijk kunt u aangeven wat aan mijn reactie maakt dat u deze kennelijk als spam beschouwd? Dit is namelijk al de derde keer dat ik deze plaats. Alvast hartelijk dank voor uw reactie.

    Mijn al twee maal eerder geplaatste reactie:
    interpretatie van de resultaten van die onderzoek is sterk gebaseerd op de aanname van de onderzoekers dat de klachten van mensen met ‘lichamelijk onverklaarde epileptische aanvallen’ psychogeen van aard zijn.
    Een andere mogelijke interpretatie. De patiënten geven op vragenlijsten waarin expliciet naar zelfwaardering wordt gevraagd antwoorden die passen bij de opvattingen over de psychogene oorzaak van hun klachten. Ze geven bijv. sociaal wenselijke antwoorden, of ze hebben zich in de loop van hun psychologische behandeling laten aanpraten dat het inderdaad dat het inderdaad aan hun karakter ligt. Met de, waarschijnlijk objectievere, meetmethode naar de impliciete zelfwaardering komt dit dan niet naar voren.

    Onderzoekers zijn ‘hoger’ en artsen/psychologen hebben sowieso veel macht over de kwaliteit van leven van patiënten. Ten onrechte gediagnosticeerd worden met een psychiatrische aandoening levert nog altijd een leefbaarder leven op dan beschuldigd worden van faken ten behoeve van uitkering aandacht e.d. Zij het in de verste verte niet zo een goede kwaliteit van leven als weten wat je mankeert en daar behandeling voor krijgen waardoor de ziekteverschijnselen afnemen of verdwijnen.

    Dat is namelijk de verwachting waarmee, volgens mij, het overgrote deel van de mensen die klachten krijgen naar een dokter gaan, ze willen niet ziek zijn, ze willen beter worden. En de meeste mensen weten het heus wel of ze gestressed zijn, ik vind het altijd zo bizar dat dit soort 19e eeuwse verklaringen juist veel vaker bij klachten van vrouwen worden gegeven. Ja natuurlijk vrouwen zijn allemaal totaal niet in staat hun emoties te herkennen en daar over te praten, dat kun je in elk vrouwenblad lezen…

    De interpratie van het geven van sociaal wenselijk antwoorden/aangepraatte verwachtingen laat de mogelijkheid open dat ‘lichamelijk onverklaarde epileptische aanvallen’ onverklaard zijn en niet meer dan dat. Dit in afwachting van verdere wetenschappelijk onderzoek, elke ziekte die nu verklaard is was ooit onverklaard. As je even een willekeurige ziekte op google scholar intikt kun je zien dat zelfs de meningen over de oorzaken, behandelen, indicentie en betrouwbaarheid van diagnostische methodes van inmiddels wel lichamelijk verklaarde aandoening zeer sterk uiteen lopen.

    Vergelijkbaar onderzoek is in het verleden gedaan naar de vermeende persoonlijkheidsproblemen bij mensen met MS (die dan ook (mede) oorzaak zouden zijn. Onderzoekers waren vonden inderdaad dat mensen met MS een bepaalde persoonlijkheid hadden en veronderstelden op basis van deze correlatie een oorzakelijk verband. Later, toen de oorzaken van MS duidelijker werden, is dit onderzoek nog eens over gedaan. Het idee was dat de eerder gevonden resultaten misschien verband hielden met MS gerelateerde schade in bepaalde hersengebieden, de correlatie werd niet meer gevonden..

    Nogmaals er zullen best mensen zijn die normale lichamelijk stresssymptomen niet herkennen en toeschrijven aan een ziekte. Maar het enige harde criterium voor SOLK is dat de dokter niet kan vinden wat je mankeert. Dat artsen niet kunnen vinden wat je hebt kan vele mogelijke oorzaken hebben, waaronder diverse die niet zo heel goed zijn voor het gevoel van zelfwaardering van de arts… expliciet of impliciet…

Plaats een reactie

Terug naar boven