BOEKRECENSIE Geef nooit raad – Torben Bendix

BOEKRECENSIE Geef nooit raad – Torben Bendix

2 reacties

Auteur: N. Elstiņš-Tromp.

In de jaren ’70 ontwikkelde de Deense psychiater Torben Bendix een methode voor het behandelen van patiënten met ‘nerveuze klachten’, klachten die tegenwoordig deels onder SOLK zouden vallen. In opdracht van de Deense Artsenvereniging heeft hij deze methode in een klein boekje ‘Din nervøse patient’ uiteengezet. Zijn boek werd in 1979 vertaald in het Nederlands en door de vertalers voorzien van de intrigerende titel ‘Geef nooit raad’ (die vorig jaar door huisarts Ignace Schretlen in Arts en Auto bejubeld werd.

Inmiddels is het boekje moeilijk meer te verkrijgen waarmee helaas een aantal wijze lessen verloren gaan. Onlangs kreeg ik het in handen en raakte aangenaam verrast door de vele uitdagende regels en stellingen die het 99 pagina’s tellende boekje rijk is. Het zal naar de moderne smaak hier en daar gedateerd of paternalistisch aandoen en door sommigen wellicht als stigmatiserend worden ervaren. Maar desondanks is de bedoeling van deze boekbespreking om een aantal, ogenschijnlijk eenvoudige, inzichten van decennia geleden opnieuw onder de aandacht te brengen.

Een belangrijke boodschap is dat artsen worden opgeleid tot het stellen van vragen en het beantwoorden van vragen, maar dat deze manier van gesprekken voeren bij patiënten met nerveuze klachten of SOLK onvoldoende inzicht geeft in hun problematiek. Bendix stelt: “Het is eenvoudig zo: als je een vraag stelt, krijg je op z’n gunstigst een antwoord op díe vraag. Maar je komt natuurlijk niets te weten over alles waar je níet naar gevraagd hebt. En dat wat je te weten komt, hoeft overigens niet waar te zijn – al hoeft het ook weer geen leugen te zijn. (…) Het zijn jouw vragen en antwoorden, die jou en je patiënt in de weg staan om verder te komen.” (p. 18). Volgens Bendix is het noodzakelijk om samen met de patiënt te zoeken naar ‘de wezenlijke problemen die achter de klachten liggen’ en te ontrafelen hoe de patiënt functioneert. Om artsen te helpen een andere houding aan te gaan nemen, herhaalt hij meermaals de stelling ‘een probleem is geen ziekte’. Derhalve hoeft de arts niet te genezen of de pijn van ‘normale’ levensproblemen te verlichten.

In het daarop volgende hoofdstuk doet Bendix in ‘zeven vuistregels voor je gedrag’ uit de doeken hoe een arts, zonder veel vragen te stellen, een effectiever gesprek kan voeren met zijn patiënt.

De eerste regel: Focus op situaties, niet op symptomen.

Hij adviseert eens tien minuten lang op te houden met te vragen ‘hoe’ en ‘waarom’, en te proberen te vragen naar ‘waar’ en ‘wanneer’. Volgens hem ontstaan ‘neurotische symptomen’ namelijk altijd in heel speciale situaties die bepaalde associaties oproepen waarmee de klacht van patiënt zou kunnen samenhangen. Als de patient het begin van zijn klachten nog weet, is dit meestal de sleutel tot de oorsprong van de bedreiging in zijn existentie. Geruststelling doordat de patient een beter inzicht krijgt, werkt beter dan medicatie of diagnostiek.

De tweede regel: Herhaal de laatste woorden van de patiënt.

Dit is volgens Bendix de methode om de patiënt tot zelfexploratie aan te moedigen en meer duidelijkheid te krijgen over situaties die de klachten veroorzaken. Ook kan dit helpen meer aandachtig naar de patiënt te luisteren. Je hoeft immers niet meer zo na te denken over de vragen die je wilt gaan stellen.

De derde regel: Als je niet meer weet wat je moet zeggen, houd dan je mond.

Hierdoor zullen in het gesprek pauzes ontstaan waarin de patiënt hopelijk verder komt met zijn eigen gedachten. Eventueel kun je tegen de patiënt zeggen dat hij ontspannen moet gaan zitten, zijn ogen sluit en zijn gedachten de vrije loop laat, ook gedachten die hij zelf helemaal niet ter zake, onsamenhangend of ongepast vindt.

De vierde regel: Er is maar één manier om de stilte te verbreken.

Niet elke patiënt komt tijdens een stilte verder en voor sommige patiënten zal het juist zodanig de spanning verhogen dat het denken minder goed verloopt. In een dergelijk geval kun je een eind maken aan de stilte met behulp van het zinnetje: ‘Waar denkt u aan?’

Om toe te lichten wat het effect kan zijn, beschrijft Bendix een voorbeeldgesprekje (wat de arts zegt is cursief gedrukt): “Waar zit u aan te denken? – Oh, niks bijzonders. – Niks bijzonders? – Nee, ik geloof niet dat het iets bijzonders is. – Dus u vindt, dat uw gedachten er niet toe doen?- Nou nee, ik weet niet hoe het komt, dat ik er alleen maar aan kan denken dat we zaterdag een paar gasten krijgen. – U krijgt zaterdag gasten? – Nou ja, mijn vrouw heeft wat familie uitgenodigd. – Familie? – Nou ja, er komt onder andere een neef van mijn vrouw. – Een neef van uw vrouw? – Ja, en die kan ik niet luchten of zien; mijn vrouw haalde me een keer over om hem 500 kronen te lenen, dat is twee jaar geleden, en tot nog toe heb ik het nog niet terug gehad. – U hebt het nog niet teruggekregen?” (p. 32). Waarna de patiënt aan de praat raakt over alle problemen die hier voor hem aan vastzitten, bijvoorbeeld dat hij het geld niet durft terug te eisen of bang is voor ruzie met zijn vrouw als hij dat doet.

De vijfde regel: Beantwoord nooit vragen.

Alleen wat een patiënt zelf weet op te lossen heeft waarde voor hem. Als de arts hem iets adviseert, remt dat zijn eigen mogelijkheden om een oplossing te vinden. Je gelooft dat je hem kunt helpen door z’n vragen te beantwoorden, maar wanneer hij je in zijn hulpeloosheid wat vraagt, zoekt hij daarmee de mogelijkheid zich passief op te stellen. Andere manieren om te reageren kunnen zijn: ‘Wat vindt u zelf?’ Of: ‘Dat is iets wat u zelf moet beslissen. ’ Misschien wel de beste tip: je kunt ook vragen waarom de patiënt jouw antwoord eigenlijk nodig heeft.

De zesde regel: Geef nooit raad.

Deze regel vloeit voort uit de vijfde. Het kan de hulpverlener vreemd in de oren klinken, maar in feite ben je niet in staat raad te geven aan een patiënt als het niet-somatische, existentiële, menselijke problemen betreft. Waarom zou een hulpverlener beter weten wat te doen dan de patiënt? Het doel van een therapeutisch gesprek is dat de patiënt zichzelf en zijn eigen mogelijkheden beter leert kennen. Zo krijgt hij de kans om zelf zijn problemen op te lossen en ontvangt hij respect en achting vanwege de mogelijkheden die hij heeft om veranderingen in zijn leven te realiseren.

De zevende regel: Gij zult herhalen en samenvatten.

Bij voorkeur laat de arts de patiënt zelf samenvatten wat in het gesprek is besproken, zodat hij zich misschien bewust wordt van iets in zichzelf dat hem eerder niet duidelijk was, iets wat zijn gedachten en gevoelens en zijn dagelijks leven beïnvloedt. Ook kan het zinvol zijn te letten op waarover de patiënt niet praat.

In het slotwoord etaleert Bendix in bevlogen bewoordingen nog één keer zijn verrassend hedendaagse visie: “Hoe meer ik in de laatste jaren heb samengewerkt met huisartsen (en met psychiaters, psychologen en maatschappelijk werkers), des te meer is het mij een raadsel dat men geïnteresseerd kan zijn in en kan werken met levende mensen – of het nu gaat om een somatisch probleem, een sociale crisissituatie of om een familie- of groepsdynamisch proces – zonder inzicht te hebben in menselijke reactiepatronen. Het doet er niet toe welke invalshoek men neemt, somatisch, traditioneel, psychiatrisch, sociaal-medisch, gezinsdynamisch, intermenselijk of sociaal, het gaat altijd om ‘totale’ mensen, wat de aard van hun problematiek ook mag zijn. Het kan nooit voldoende zijn om deze mensen alleen te ervaren in een somatisch, psychisch, sociaal of gezinsdynamisch verband: dat zal altijd eenzijdig en partieel zijn. Men moet de hele persoonlijkheid erin betrekken. En niet slechts als arts de dingen benaderen vanuit één enkel gezichtspunt. “ (p. 75-76).

De titel ‘Geef nooit raad’ klinkt misschien alsof men de patiënt in de kou zou moeten laten staan, maar Bendix beoogt juist het tegenovergestelde. Veel patiënten weten uiteindelijk zelf een goede oplossing te vinden. Wanneer je patiënten helpt tot hun eigen oplossing te komen of obstakels hiertoe opheldert, is dit vaak veel waardevoller dan een goedbedoeld advies. In veel huidige psychotherapeutische stromingen is dit nog steeds een centrale opvatting. Binnen de cognitieve gedragstherapie komt het bijvoorbeeld terug in de socratische dialoog, een belangrijk onderdeel van de therapie, waarbij de patiënt geactiveerd wordt tot zelfinzicht te komen wanneer hem de juiste vragen worden gesteld.

T. Bendix. Din nervøse patient. Den terapeutiske samtale. Laegeforeningens Forlag Kopenhagen, 1977.

T. Bendix. Geef nooit raad. Een gesprekstechniek die de huisarts niet kent uit zijn studie. Wetenschappelijke uitgeverij Bunge Utrecht, 1979. Vertaald en ingeleid door drs. W. Verdenius en J. Verdenius-Haveman.

I. Schretlen. Geef nooit raad. Arts en auto online, 2015.


Meer van deze auteur:

Gerelateerde artikelen

Terug naar boven